De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde onlangs dat bij de besluitvorming rond de gaswinning in Groningen de maximale opbrengst op de eerste plaats stond. De veiligheid van de inwoners van Groningen was daaraan ondergeschikt. Dit schrijft de Onderzoeksraad in haar rapport "Aardbevingsrisico's in Groningen" dat op 18 februari werd gepubliceerd. Bij het ministerie van Economische Zaken, de NAM en Staatstoezicht op de Mijnen was weinig oog voor ongerustheid en gevoelens van onveiligheid onder de bewoners.

Het zijn grotendeels dezelfde partijen die de vergunningen voor de opslag van olie onder de Marssteden en giftig afvalwater in Noordoost Twente hebben verleend. Dit roept de vraag op of ook bij deze vergunningverlening de economische belangen zwaarder hebben gewogen dan de Twentse veiligheid. Een onderzoek naar de besluitvorming en herbeoordeling van de vergunningsaanvragen zou die zorgen kunnen wegnemen.

Eén van de problemen die de onderzoeksraad constateerde is dat de toezichthouder, het Staatstoezicht op de Mijnen, niet onafhankelijk genoeg is. Maar ook het ministerie krijgt harde kritiek te verduren. Het was dermate onderdeel van een "gesloten bolwerk" dat het veiligheidsbelang ondergeschikt was. De NAM krijgt van de onderzoeksraad het verwijt dat de organisatie zijn zorgplicht niet voldoende is nagekomen. De NAM had moeten onderzoeken welke gevolgen de gaswinning had.

Niet geheel toevallig zijn het dezelfde partijen die de plannen en vergunningen voor de olieopslag in Twentse zoutcavernes en het opslaan van giftig afvalwater in Twentse gasvelden hebben gerealiseerd. Voor het opslaan van giftig afvalwater van de NAM in voormalige gasvelden in Noordoost Twente gaat het zelfs om exact dezelfde drie partijen. En bij de opslag van olie in zoutcavernes is de vergunning door hetzelfde ministerie van EZ verleend en is hetzelfde Staatstoezicht op de Mijnen de toezichthouder.

GroenLinks vraagt zich daarom sterk af in hoeverre de conclusies van de Onderzoeksraad over de besluitvorming in Groningen ook van toepassing kunnen zijn op de vergunningverlening voor de bodem-activiteiten in Twente. Zijn de veiligheidsrisico's van de opslag van afvalwater of olie wel voldoende in beeld gebracht en meegewogen in de besluitvorming? Of hebben ook hier de economische belangen de doorslag gegeven?

GroenLinks wil daarom dat de Onderzoeksraad voor de Veiligheid, als vervolg op haar onderzoek naar de gaswinning in Groningen, ook de vergunningverlening voor bodemactiviteiten in Twente tegen het licht houdt. In de tussentijd wil GroenLinks dat de (voorbereidende) activiteiten worden gestaakt, zodat er geen verdere risico's worden genomen of onomkeerbare stappen gezet.

Tegelijkertijd zou de regelgeving rondom mijnbouw zodanig moeten worden aangepast dat niet de Staat als enige partij eigenaar èn vergunningverlener is van alles dat zich in de ondergrond bezit. De lokale politiek en met name bewoners en gebruikers zouden veel meer zeggenschap over (risicovolle) activiteiten in hun omgeving moeten krijgen. Het is gewoonweg niet meer van deze tijd dat Den Haag eenzijdig kan besluiten welke activiteiten er op Terschelling, de Marssteden of in Mander mogen plaatsvinden.

Ook in Twente bestaat het risico op lekkages, bodemdaling en aardschokken als gevolg van de opslag van olie en giftig afvalwater in onze bodem. Een leidingbreuk onder de Engbertsdijksvenen of het Springendal, of een lekkage van olie op de Marssteden kan desastreuse gevolgen hebben voor milieu, natuur en volksgezondheid. Het idee dat ook hier de veiligheid ondergeschikt kan zijn geweest aan de economische belangen, noodzaakt een grondige analyse van de gevoerde besluitvorming en indien deze analyse daartoe aanleiding geeft, een heroverweging van de genomen besluiten. Er staat gewoon teveel op het spel.